Europees Hof: de voorheffing dividendbelasting is discriminerend indien verrekening niet mogelijk is


De uitkering van dividenden door Nederlandse vennootschappen is belast met dividendbelasting en wordt geheven door middel van een voorheffing ten laste van de uitkering van het dividend. Het is hierbij niet relevant of de vennootschap beursgenoteerd is of dat dit niet het geval is.

De ingehouden dividendbelasting kan vervolgens worden verrekend met de door de aandeelhouder definitief verschuldigde inkomsten- of vennootschapsbelasting. Markant is dat de dividendbelasting, net als de loonbelasting in principe geen keuzemogelijkheid kent om de voorheffing achterwege te laten dan wel te komen tot teruggaaf of vermindering omdat bijvoorbeeld de mogelijkheid om te kunnen verrekenen ontbreekt.

In het buitenland wonende aandeelhouders van Nederlandse vennootschappen hebben de mogelijkheid tot verrekening bestaat echter bij een in het buitenland wonende aandeelhouder niet altijd. In Nederland hebben zij dan geen recht op teruggaaf of vermindering van belasting.

Deze situatie is voorgelegd aan het Europese Hof van Justitie.

Europese Hof

Één van de gedingen in kwestie kan op hoofdlijnen als volgt worden weergegeven.

Een Nederlands onderdaan met woonplaats in België, hield aandelen in drie Nederlandse beursfond sen. In het jaar 2007 zijn over die aandelen dividenden voor een bedrag van 4 852 EUR uitgekeerd, waarop 15 % dividendbelasting voor een bedrag van 729 EUR is ingehouden. In België moet over dit dividend 25% personenbelasting betaald worden, zonder verrekening van de in Nederland ingehouden dividendbelasting. De aandeelhouder had in Nederland geen andere inkomensbestanddelen en ook geen andere bezittingen.

Het gevolg van deze situatie is dat deze belastingplichtige zowel in België als in Nederland belastingverschuldigd is over de dividenduitkering én dat de totale belastingdruk hoger is dan wanneer deze belastingplichtige onderdaan was geweest van Nederland. Dit is het geval wanneer de belasting op dividenden van niet-ingezeten aandeelhouders zwaarder drukt dan de belasting die ingezeten aandeelhouders betalen via de inkomsten- of vennootschapsbelasting.

Het Hof is van oordeel dat dan in bepaalde gevallen een belemmering van het vrij verkeer van kapitaal bestaat. Artikel 63 van het verdrag inzake de Werking van de Europese Unie verbiedt dit.

Om te komen tot de afweging die het Hof heeft gemaakt dient een berekening van de belastingdruk te worden uitgevoerd. Voor natuurlijke personen, voor wat betreft de belasting op inkomsten uit aandelen in Nederlandse vennootschappen, dient deze berekening over een kalenderjaar,over de dividenden zonder aftrek van voorheffing en rekening houdend met het in de nationale wetgeving voorziene heffingvrije vermogen. Voor vennootschappen moeten bij de vergelijking van de belastingdruk de kosten die rechtstreeks samenhangen met de inning van de dividenden worden meegenomen.

Het Hof concludeert dan ook als volgt:

“ Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat de artikelen 63 VWEU en 65 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de wettelijke regeling van een lidstaat op grond waarvan op dividenden die door een ingezeten vennootschap zowel aan ingezeten belastingplichtigen als aan niet-ingezeten belastingplichtigen worden uitgekeerd een bronheffing moet worden ingehouden, waarbij enkel voor ingezeten belastingplichtigen is voorzien in een mechanisme van aftrek of teruggaaf van die inhouding, terwijl deze voor niet-ingezeten belastingplichtigen, natuurlijke personen en vennootschappen, een definitieve belasting vormt, voor zover – het is aan de verwijzende rechterlijke instantie, dit in de hoofdgedingen te verifiëren – de definitieve belastingdruk die in verband met die dividenden in die staat op niet-ingezeten belastingplichtigen komt te rusten zwaarder is dan die voor ingezeten belastingplichtigen. Om die belastingdruk te bepalen zal de verwijzende rechterlijke instantie in de zaken C‑10/14 en C‑14/14 de belastingheffing van ingezetenen met betrekking tot alle aandelen in Nederlandse vennootschappen in de loop van het kalenderjaar alsook het heffingvrije vermogen op grond van de nationale wetgeving in de beschouwing betrekken, en in zaak C‑17/14 de kosten die rechtstreeks samenhangen met de inning als zodanig van de dividenden.”

Bron: Arrest Europese hof van Justitie, nr. C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14 d.d. 17 september 2015, ECLI:EU:C:2015:608.

Wat betekent dit nu?

Indien u in het buitenland woont of daar gevestigd bent en dividend waarop in Nederland dividendbelasting is ingehouden ontvangt is het verstandig dit bespreekbaar te maken met uw Nederlandse Fiscaal Adviseur. Vervolgens dient bepaald te worden of en in hoeverre u in Nederland recht heeft op een verrekening van de ingehouden dividendbelasting. Indien hier niet of niet geheel sprake van is dient het niet verrekend gedeelte van de voorheffing te worden teruggevorderd. De termijn hiervoor is vijf jaren na inhouding van de belasting indien geen sprake is van enige verschuldigde belasting en voorts de geldende bezwaartermijn van de aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting.

Tax6 adviseurs kunnen u ter zake kundig bijstaan. Neem gerust contact op om te bepalen of u voor een teruggaaf in aanmerking komt.

#Dividendbelasting

© 2020 by Tax6 LLP  |